CATEGORIE +18
Ingezonden gedichten:
Kabelverbinding
De zin van dit alles
Betekenis ligt niet voor het oprapen
midden in de kolkende rivier
legt de kunstenaar zijn onbeholpen ei
op de onberekenbare oever
in de ban van onsterfelijkheid
schrijft hij ondraaglijke partita’s
triolen als wespensteken
in het willoze vlees van mijn herinnering
hij bevrijdt zijn Medusa uit de rotsen
trekt nieuwe lijnen rond de schepping
polijst alles wat ruw is
verbetert de lompe gang van de mensheid
hij doet wat hij kan
om de wereld begaanbaar te maken
een tragische routekaart door de chaos
want hij weet dat wij er verder niet toe doen
zoals een kind zich vastklampt aan Sneeuw Witje
moet de wereld iets met ons te maken hebben
schoonheid houdt het alomtegenwoordige Niets
vermomd als Zijn
op een ongepaste afstand
naïef, moedig en egomaan
want ook de kunstenaar weet
dat de vederlichte wolk boven Auschwitz
getekend door Kollwitz
niemand kon redden
De tsunamiduiven
Veilig in hun ruime
Warme droge hok
Bescherming tegen kou
En tegen noordenwind
Tegen regenvlagen
Maar ook tegen hete
Felle zonnestralen
Veilig voor de ratten
Veilig voor de katten
Rovers die zo gretig
jonge duifjes lusten
Kan een jonge duif
Een beter leven wensen?
Zelfs aan ’t starten van de
Wagens op de parking
Boven achter ’t hok
Geraakten zij gewend
Ja, wat een luizenleven
Voor twee duivenwezen
Zoekend naar locaties
Vond de woningbouw
De laag gelegen goeie
Kope weidegrond
Die echter ied’re winter
Onder water stond
Koeien zet je ’s winters
Warm en droog op stal
Maar met een wijk vol huizen
Is dat toch een ietsje
Moeilijk het geval
Dus werd er opgehoogd
En ook een pomp geplaatst
En woningbouw verzekert
‘t risico is nul
Bewoners kunnen op
Hun beide oren slapen
U heeft geen probleem
Want zelfs indien de pomp
Blokkeert houdt u uw voeten
Droog want water stroomt
Zoals u weet nog steeds
Omlaag naar ‘t laagste punt
De kopers werden zo
Geheel gerustgesteld
Maar voor de achtertuinen
Van de oude huizen
Naast de nieuwe wijk
was dit een onafwendbaar
gruw’lijk ramprecept
Toen sloeg het noodweer toe
De regen viel met bakken
Uit de groene lucht
De bliksemschichten flitsten
Felle knipperlichten
In een discotheek
En hagelbollen joegen
Ieder op de vlucht
Toen begaf de pomp
Een muur van modderwater
Stortte naar bene’
en maakte van het ooit
zo veilig duivenhok
een instant duivengraf
Panta rhei en alles
Gaat en stroomt voorbij
En ons zo vér gewaand
Verleden komt ineens weer
Ak’lig dicht bij ‘t heden
Ze hadden dit nochtans
Op voorhand kunnen weten
Want de naam van dit
Gebied is niet voor niets
Al eeuwenlang de Vliet
Of hadden zij de kaart
Van Ferraris bekeken
Ook dan hadden zij dit
Vooraf al geweten
van een ouwe vliet
dat doe je domweg never
nooit of nimmer niet
Levensstroom
Stromend door je lichaam.....
"loopt" niet alleen die ene bloedbaan
je aorta, je lichaams-slag-ader
maar er kan meer zijn....
Stroom (24)
Bouwval
Ik sluit mij af, dit is mijn tuin
een stapel tegels en wit zand
en slecht gestapeld langs de kant
wat afvalhout en kelderpuin
toch fonkelt in mijn hoofd de zon
en wordt de toekomst hier geplant
in een perceeltje langs de rand
omringd door brokstukken beton
een zaadje hoop, dat in de stroom
van mijn gedachten wortel schiet
tussen het klussen en karweien
ik sluit de ogen en ik droom
een plaats waar ik intens geniet
en waar ik alles laat betijen.
Herfststorm stuurt regen naar Ter Schorre
Plat dak, begroeid met mos, veranderd in een kolk,
Waar water en gedachten in cirkels zich bewegen
Windkracht acht en zuigkracht van de geest…
Als ik hier zit, gekluisterd tussen muren
Laat mij hier achter, geef tenminste zicht
Op verre overkant, op lucht, op schepen,
Tableau-vivant, voor anders niet bewegend.
Noordeloos
Duizend en één gedachten
wanneer ik in je ogen kijk
Ontelbaar veel gevoelens
voeren stilletjes in je ziel
een ongekende strijd
Eindeloos lijk je te zwerven
zonder einde, zonder begin
Eindeloos lijk je te zoeken
naar je stroom, je gevoel
je levenszin
Maar de stroom voert langs je wangen
noordeloos en vol verdriet
Ik steel je lippen, kus je tranen
Stil nou maar
het geeft me niet
Je geeft je aan me over
en zie gedachten, beloftes bedaren
De monding van woorden en letters
in een stroom van rust
tot enkel klanken vervagen
Duizend en één gedachten
wanneer ik in je ogen kijk
Oneindig veel leven
zie ik blinken in je iris
Eindelijk bevrijd
Stroom, neem me mee door het water
Wildwater van zwembaden sleurt je mee
In vroegere tijden wist men niet dat het bestond
Rivieren met boten met stoom
Meegesleurd worden door een rivier
Je wordt heel bang, weet niet meer
dat je in een rivier zwemt
Je vriend helpt je
Het is mooi geweest
Ik was blij dat hij me gered heeft,
want anders was ik niet meer op de wereld
Ik ga naar huis
Treinen rijden rond op elektrische stroom
Mensen zijn loom van de warmte
Stoomtreinen reden ooit op hete kolen
Nieuwe treinen komen met elektriciteit
aangereden
in alle stations waar er stroom is
Daar stappen mensen op en af
Soms, als de stroom uitvalt,
blijven de treinen staan
De stroom gaat weer aan
De treinen zitten op het goede spoor
Ik ben er nu vandoor!
Veilig thuis aangekomen
Het eten staat al klaar
Paul
De boot is gezonken in het stromend water van Lissewege
Een moeder weende
Een vader is wellicht gestorven
Kinderen bleven achter
Stroomversnelling, verandert met de wind mee
We speelden met Paul, Trui en Marianne
Met z’n allen op de wipplank
Paul Van Boven en Daniël Beneden
Tramstroom
De tram reed naar de Vosseslag
Hij zat bomvol
Twee trams kruisten elkaar
(in Wenduine stond er minder volk te wachten)
De stroom viel uit
Mensen stapten uit
Na een uur was de panne herstelt
Ik kwam weer aan in De Haan
Aan de watertoren
strompelende oompjes
je proeft van zout en pepermunt
als van het zoete leven
eerst ontplooit zich op je tong iets
als een bescheiden vorm
van heldenmoed
dan proef je de verstilde, zilte
smaken van de vergetelheid
je dorp met lichtblauwe huizen
oogt niet fris noch vergankelijk
de rotte vuurtoren naast je moestuintje
ziet en zegt het ook allemaal:
“alle leven vloeit onverbiddelijk
naar zee”
maar deze zee is oeverloos
zo ben jij ook
je strompelt verder en verder, geruisloos
langs de waterkant van wat ooit
afwisselend zoet en zout smaakte
stomme, ouwe koppigaard die ik ben…
"Stroom, je droom..."
Licht, geluid, sfeer en gezelligheid,
stroom geeft je vandaag die kostbare tijd.
De tijd van warmte, muziek, een veilig gevoel,
die kilometers kabel die lopen voor een groter doel.
Het doel van éénheid, gebonden onder en boven de grond,
als een stroom van water die al voor de mens bestond.
Voel het elke dag, geloof in de kring van stroom,
en geniet van die duurzame wonderbare droom.
Droom van stroom, stroom je droom ...
Tranenstroom
Stil maar lief kind
voel de warmte van mijn huid
het zachte bonzen van mijn hart
de hand die je hoofd streelt
Toe maar lief kind
vecht niet tegen tranen
laat ze stromen op mijn schouder
en landen op mijn rug
Kom maar lief kind
smoor je kreten niet
laat ze rustig gaan
mama is bij je
Stroom van woede
Diepgewortelde onebeschaafdheid overspoelt
de smetloze blanke stranden van mijn voorheen ongenaakbare gemoed.
Vermengd met vulkanische barsten van vertwijfeld hartstochtelijk verlangen
muteert mijn vertrouwen tot een nietsonzienende woeste razernij
zodat ik wordt wat ik veracht.
Stroom (23)
Elke morgen steek ik keurig twee vingers in het stopcontact.
Dan staat mijn haar mooi strak en stijl,
Mijn bloed stroomt stevig door mijn aderen
En ik ben voor die dag weer op peil.
Oké, wat elektrisch geladen en kortsluiting ligt op de loer,
Maar ik ben alert, adrem en creatief,
En dat is wat telt, heden te dage,
Weg met dat geouwehoer!!
Als de dag dan bijna om is
En het voltage stevig daalt,
Kijk ik met doffe ogen
En ben blij, dat ik het toch weer heb gehaald.
Wie doet me na???
Zo vol met tweehonderdtwintig volt?
Want je moet wel bij de les blijven
En zorgen dat je jezelf niet voorbij holt.
Stroomstoring
7 jaar is hij nog maar, en brak
Olympische records al met gemak
Met Mario en Sonic als zijn maten
houdt hij de Galaxy’s in de gaten
Slechts zijn controller heeft hij nodig
speelgoed is verder overbodig
Dag en nacht
zou hij liefst spelen
Gamen gaat hem
nooit vervelen
Toen - zonder waarschuwing vooraf
ging opeens de stroom er af
En het gebrek aan elektriciteit
stopte per direct de strijd…
Staren naar het zwarte scherm
ging hem al snel vervelen
Zodat hij voor die éne keer
maar buiten is gaan spelen…
Stormschade
Monden die kolkend
woorden uitbraken
zinnen vormend, flonkerend
van liefde met een
onderstroom aan haat raken.
Onwillige oren
die niet willen verstaan
Handen die afwerend afsluiten
Wensend transliteratie te ondergaan
en wat ze wíllen denken alleen nog horen
Als een ziedende rivier
ejaculerend in de zee van emotie
die in zijn stroom alles meevoert
zonder onderscheid; huis, mens en dier
zich stort in hoge golven met veel commotie.
Later, op een spiegelglad oppervlak
strijkt een zeilschip haar zeilen
wachtend op een zuchtje wind.
Op de kust de jutter vindt
Een mast, die tijdens de storm afbrak.
Café Hotsy Totsy, Gent
De riolen zuigen
het slijk dat ze hier spuiten,
het walstuurlui-gezang.
Het hoge woord zinkt weg in de stront,
en het lijk van de stad
stinkt en lijkt
hen te verspelen met liefdes
die
hun geleden leven vullen,
hun verschenen woorden brullen,
en ze zullen, ja,
ooit zullen ze …
Het zwarte slijk dat ze spuiten
spoelt schuin in de riolen
en woelt
zoals schuld en spijt botsen en schuimen
in hun vale glazen bier.
Stroom (22)
Stroomde uit de buik van mijn moeder in 1944,het leven stroomde in me,de oorlog stroomde door ons land!!
Stroom te samen
Stroom, ontstaan door kracht,
het kolkt, zorgt voor warmte en licht.
Stroom, daar waar je 't niet verwacht
en niet altijd in evenwicht.
De Scheldestroom schiet Doel voorbij,
leegstand, achtergelaten herinnering,
tranen stromen weg in de zwarte klei
en daar bovenop, de ontpoldering.
Stilte, bij het liggen van de wind,
het verdwijnen van de oriëntatie.
Ons land zo bemind,
woordenstroom en penseelstreken, kunstenaars vinden er inspiratie.
Gevoelens stromen door ons lichaam,
worstelen en bovenkomen, vecht als je kunt.
Houden we een grens, of doen we het saam?
Stroom te samen, de kracht naar elk lichtpunt
alles stroomt (2)
glas zeeft licht
eeuwen verpulveren beton
water slijpt een grot uit rots
roest is de bloei van het schroot
vuur likt aan de zolen van de heks
wind wekt golven uit de zeespiegel
rubber is het witte bloed van een boom
pek vormt in een trechter om de 8 jaar 1 druppel
lava is de gloeiende stroop die uiteindelijk weer stolt
tandwiel en slinger en wijzer meten de tijd die glijdt
de gletsjer schuift een dikke, trage tong naar het dal
in zand ontdek ik granietgruis en koraalsplinters
stuifmeel ontsnapt aan de draad van de bloem
maar toen ik toevallig jouw hand vond
die daar zomaar open, bijna wenkend, op het linnen lag
bevroor alles rondom mij, ongeveer een glimlach lang
Onrealitisch
Ik voel me als een bedenking.
Zelfs een lichtgolfje in deze eindeloze
duisternis
zou me niet kunnen aanraken
zonder voelen.
Volg, en stroom met me mee.
Ik voel me vol
ledig leeg.
Zo onrealistisch, maar scherp.
Als in mijn eigen fantasiewereld
ingedommeld,
zo beleef ik deze stroomversnelling.
Ik voel de miserie
die die grollige tovenaar
laat kleven aan de waarheid.
Want deze wereld van rottigheid
laat sporen na.
Laat stromen na.
Dit is allemaal onzin.
“Onzin” die ooit
werkelijkheid
…
STROOM (21)
Schepping
Is stroom
Geen stroom
Geen leven
Eindigt het leven
Vaststaand gegeven
Dan keert het vlug
Naar de oorsprong terug
De stroom voedt
Genen en hormonen
Goed of slecht
Steeds een gevecht
De stroomoorsprong
Oneindig ver
Maar ook dichtbij
Voor jou en mij.
Stroom (20)
Voor mijn kussen
mijn hoofd schudt,
sluit ik mijn ogen
Ga ik tegen de stroom
mijn gedachten in
Vaar ik tussen
Dons en deken
Fantasie door
De ene kant wil jij,
andere mij bereiken
maar in de genen en gedachten
tussen eb en vloed
ben ik bloot
voor moed
tussen dons en deken
over stroom
en over beken
Wordt mijn stroom
Enkel door liefde gegrepen.
Stroom (19)
ik-stroom
jij-stroom
stromen over
en vloeien samen
stormen doorstaand
rustig kabbelend
om eindelijk diepgerimpeld
rimpelloos
in volle zee uit te monden.
STROOM (18)
Madammeke zou je de
stroom van de stopcontacten in
de bijkeuken willen uitschakelen
vroeg de technieker beleefd.
Hoe stroom, wat stroom
vroeg mijn meetje onzeker ?
Ach ja zei ze na enige
aarzeling ik versta het al.
Je wilt zeggen den
elektriek van de priezen in ’t waskot
uittrekken.
Juist zei de brave man
dat bedoel ik.
Een week later werd zijn
asse uitgestrooid en stroomafwaarts
meegevoerd richting zee waar de
windmolens de stroomtoevoer op
peil proberen te houden.
Vanzelfsprekend………stroom ….. gewoon ??
t’Is iets wat je niet proeft of ruikt, t’is iets wat je ontzettend veel gebruikt.
T’Is iets wat je voelt en ziet, prikkels, warmte, kou, mensen, water, lucht, verdriet.
Wakker worden zonder stroom, lijkt zo gewoon,
Gordijnen schuif ik open, zonder stroom, gewoon,
Gelukkig heb ik een houtkachel, lucifers, kaarsen, water en gas,
Een voorraadkast gevuld en ook een dikke jas.
Alles wat zonder stroom is, heeft geen glans, geen licht, gaat niet meer open,
gaat niet meer dicht.
Alles in onze maatschappij draait om stroom, we vinden het allemaal heel gewoon,
In vele landen is dit slechts een droom, … stroom.
Een stroom van mensen, de stroming van de zee en lucht,
Het is niet tastbaar wel nodig.
Zonder dit alles is het eenzaam en stil, stroming van alles dat is wat ieder wil.
Een glimlach een droom voor iedereen op heel de wereld, wens ik voor alle mensen,
Het gebruik en de kracht van gewoon………stroom.
Zeeuwse Zee
Wat voor bijzonders heeft de Zeeuwse zee,
die komt en gaat; ebt en vloedt;
sleept in golven lege overvloed
kleine krabben, schele schelpen met zich mee?
Wat voor bijzonders heeft de Zeeuwse zee,
die mensen van elkaar scheidt,
en toch weer in elkaars armen drijft,
ondergronds of vliegend met de vogels mee?
In mijn Zeeland vervloeit,
door eeuwen stormende strijd vermoeid,
de Schelde, onwillig kronkelend in de zee.
In mijn Zeeland poldert de zee en meandert
tot er uiteindelijk niets verandert.
Eeuwig blijft de zee, de zee, de zee..
Waterlanders
Gedachtespinsels drogen op
vloeien uit tot bron van tranen
de dood besterft zich tot stroomdiagram
alles berust in visie
Een vloedstroom ontspringt
verwerkt zijn impressie
van bedding tot vaarwater
de tolk van de vertaler leest een gedachte
schrijft hem verder uit, om eenzaamheid
in zo veel woorden te bestrijden
Ik hoor de lokroep van een huiler
ontelbare keren speelt de zandplaat
zich voor zijn ogen af
we zwemmen hier ineen de nacht door
tot we in het licht zullen opgaan.
Stroom (17)
Ik heb twee ogen en kijk
Vanaf één punt de kamer in
En dat zal zo blijven
Dit is mijn plek, jij je zin
Ik kan er niets tegen doen
Alles wordt voor mij gedaan
Ik word slecht onderhouden
Ben niet belangrijk, heb afgedaan
Maar wat zou er gebeuren
Als ik er niet meer zou zijn?
Zou je een kaars branden
Voor mijn pijn?
Vast niet, je ziet niet
Wat ik allemaal voor je doe
Ik geef je energie
En jij maakt me moe
Toch voel ik me nog steeds verbonden
En zal je alles blijven geven
Want zonder mijn stroom
Kun jij niet leven
Het stopcontact
“Stroom” (16)
Je ziet het niet, maar wel te voelen
Soms gebruikt in heel speciale stoelen
Eerst ontlading uit atoom
Met één druk op de knop, zit je onder stroom.!
Die stoot die overleef je niet
Is het daarom dat je het niet ziet?
STROOM (15)
bij dag en avondgrauw
bij nacht en ochtendgloren
stroomt de stroom
onophoudelijk voert hij voort
begrensd baant de stroom zich een weg
langs heuvels en bergen
hij stroomt door dorpen en steden
door velden en bossen
de stroom stroomt onophoudelijk
dag en nacht
tot hij zijn doel bereikt
STROOM (14)
mijn voetstappen in het zand
blijven niet lang bestaan
samen met het zeewier en de schelpen
zee neem ze mee
mijn gedachten zijn verwarrend
ik raak ze niet kwijt
ze overheersen het alles
zee neem ze mee
mijn tranen vullen mijn hart
gedreven door de westenwind
zee neem ze mee
met de stroom mee.
Stroom (13)
Een stroom van tranen rolde over mijn wangen.
Toen ik mijn eerste kindje in mijn armen mocht ontvangen.
Een stroom van blijdschap verwarmde mijn hart.
Toen ik hem zijn eerste flesje gaf.
Algauw werd hij een peuter.
En bazelde een stroom van onverstaanbaar geleuter.
Deze serenades lieten mij nooit onbewogen.
En klonken mij als muziek in de oren.
Een stroom innerlijk geluk kwam dan over me heen.
En ik dacht bij mezelf.
Kleine spruit hopelijk ben je niet te lang alleen.
Toen is alles in een stroomversnelling gekomen.
Mijn wens vervuld uit mijn stoutste dromen.
Gelukkig zijn er nog een broertje en een zusje bijgekomen.
Rivier
Rivier was nooit méér vrouwelijk dan toen,
ze toonde trots haar grillen en haar listen
in draaikolk en in waterstand, beet hongerige
happen uit het lage land vol winter.
De mensen op de dijken beefden van ontzag,
legden hun vrees en vragen samen als een dam
tegen de hoogmoed en de woede van de stroom,
het daverde van ingehouden woorden.
Dit was het landschap van een etmaal later:
het plotse medelijden van de wind, het opgeluchte
vrije ademhalen, het uitgelaten spraakzame gesprek,
de eerste regels van een moedig nieuw verhaal.
En weer tuimelen roekeloze wolken in het water,
kleurt de rivier de hemel plaatstaalblauw, broeit
opgehoopte passie onderhuids, weet zij met
zekerheid ons vroeg of laat te vinden.
Stroom (12)
Geprikkeld door de lentezon.
Een stroom van mensen wandelt in het bos.
Op paden van groen en zacht mos.
Tussen bloeiende hyacinten in witte en blauwe tinten.
Ontluikende bomen om hen heen.
Een stroom van leven was op de been.
Een stroom van mensen wandelt in het bos.
De natuur is in stroomversnelling afgenomen.
De bladeren op de bomen hebben bija hun taak volbracht.
Nog een laatste keer zullen ze pronken.
En kunnen we naar hun prachtige herfstkleur lonken.
Een stroom van mensen wandelt in het bos.
Op paden van vertrappeld en verdord mos.
De bomen en planten zijn o zo moe.
En dringend aan rusten toe.
Nu kunnen zij de ganse winter slapen.
En in de lente terug ontwaken.
De stroom (11)
Als uit het niets in hoge bergen
uit wolk en smeltend ijs ontstaan
glijdt de rivier ras naar beneden,
glinstert onder heldere maan.
Speelziek springt ze van de rotsen
stroomt binnen in het nevelig dal
met kalme vloed door rijke beemden
na 't razen van de waterval.
Statig schrijdt ze door de velden
langs dichte bossen dennenhout,
weerspiegelt de azuren luchten
gevat in een boeket van goud.
Nader komen blijde klanken
groeien uit tot feestgeschal,
wemeling van kleur en dansen,
roepen , zingen overal.
En verder weg op d' andere oever
trekt een stoet in rouw voorbij,
familie volgt de dodenwagen
zwijgzaam in een lange rij.
Zo vliedt de milde stroom steeds verder
gedreven tussen vreugd' en pijn,
nu eens door de nacht in stilte
dan muziek en zonneschijn.
Steeds breder wordt de stroom en trager,
veel herinneringen drijven mee,
tot hij zacht wordt opgenomen
in d' eindeloosheid van de zee.
Gedachtestroom
De hele wereld stroomt onder de brug door.
Terwijl ik toekijk,
flitsen duizenden beelden mij door het hoofd.
Geduldig voert het water
in dromen verzonken
alle gedachten mee naar zee.
Wat ik daarnet nog dacht, glijdt langzaam
onder de knoestige ogen
van oeverbomen voorbij.
Dank o oever, dank zij u
meanderen mijn gedachten
ginds niet uit de bocht
en komen ze veilig en ongeschonden aan
bij de machtige monding van de stroom,
waar ieder die het wil, ze open en bloot
ongecensureerd kan lezen.
Gelukkig ben ik intussen
veranderd van gedachte.
Aan de stroom.
Zondag in de stad.
Eenzaam door het venster staren.
Mistslierten over ’t water
en in mijn hart.
Treinen denderen in de verte.
Torenklokken plagen mij met hun geluid.
Gedachten smaken naar heimwee.
Ik wil dorpen doortrekken,
stromen opvaren,
roepen in het naderende donker.
Maar ik sta hier voor het venster.
Alléén de stoel verstoort de stilte
naast de verwelkte bloemen
in het brakke water.
Levend Leven
En ineens, ineens is het daar weer
dat diepe vreemde geluksgevoel
vanuit het niets
omhoog borrelend naar mijn borst
Levensenergie stuwt zich een weg naar boven,
zet mijn hart in vuur en vlam
als en heldere straal zonneschijn
en mijn hart trilt, trilt van liefde
Alles wat daarnet nog zo belangrijk leek is onbelangrijk geworden
en alles wat daarnet nog onbelangrijk leek is belangrijk geworden.
De zon in mijn hart,
de regen die buiten tegen de ramen klettert
samen vormen ze de regenboog
van het Leven
dat mij wenkt
er aan deel te nemen
Ik loop naar buiten
de nattigheid in
en strek mijn armen verlangend uit
omhoog naar de hemel...
en ik word nat
doornat
kletsnat
zeiknat
want het regent
ja het regent,
maar ik glimlach
want het regent
ja het regent
bloemen.
DE STROOM. (10)
De stroom gaat voort vanuit de bron
en schenkt haar vruchtbaarheid aan het al
haar vlieden geleidt door maan en zon
zal gaan tot aan de wal.
Het water zoals het is ontstaan
haar kracht aan ons gegeven
geeft voeding aan het bestaan.
en maakt het mogelijk te leven.
Zo stroomt zij door de tijd
van eeuwen her naar eeuwen ver
opdat wat leeft gedijt
stromend van her naar der.
CENTRALE PANNE
Tot waar kan ik de striemen volgen
golvend op je onderbuik?
En hoe zou ik het stromen stoppen
van de woorden in mijn hoofd
die jouw op hol geslagen slaven sussen
die stomend aan de riemen trekken?
Je douchet in alle kleuren van de maan
en vaart al jaren onder stroom
nu onderbreekt mijn hart
zijn slagen van de zweep
ik zeep me in en was mijn mond
ik wissel af en toe gelijk met ongelijk
verwacht nu niet dat ik de stekker uit zal trekken!
De boot is weg
Een vloek zacht als een veertje
waait weg in de wind
zet de hersens op stelten
een strontwereld stort in de duivelskloof
Wie doet nu zoiets?
Een vuistinslag die meedrijft
met het geluk van de zee
een donker zwart gat
als een aardkorst van de hel
Hoe moet je waterskiën op het zand
benjispringen van de dikke kabels?
Welk geluid maakt een duikboot
een ruimtetuig dat de lucht in knalt als een kogel?
Het cruiseschip van de prins van Monaco lacht
De stroom (9)
(1-11-2011)
De stroom vangt aan
met een knipoog van de zon.
De stroom gaat van binnen naar buiten
als een draaikolk door een driehoek,
een illusie waar ik me niet aan onttrekken kan.
De stroom klimt driftig als een draak,
kronkelt als een rivier,
en de wereld dobbert, tolt om haar as.
Straks kantelt deze kaarsrechte lijn,
omhult door lome ziel,
mee als een onthechte mossel,
mee, mee, mee met de stroom.
Al mijn levens was ik in jou…
De stroom verschuift de zandplaat,
bodem van hulpeloosheid.
Het spel van de doodstille maan wint
spetters van stimulerende hersengolven,
vrolijke druppels
op jouw slapende huid.
Stroom (8)
Alles gaat voorbij
Zoals de regen het zand verdrijft
De wind de bui verdampt
Mijn liefde verbrandt in de zon
Laat het regenen in de stromen
En volg me op mijn weg
Zo snel ik naar je toe
Ik wieg al heen en weer
En de stroom valt in het water
De Schelde
De mist die uit het water opkomt
Laat stad en land zo grijs en dom
Het water breekt op hoge dijken
De najaarsdag is stil en stom
Het kleine strand is koud en leeg
Op grote slierten zeewier na
Wat schelpen en wat groenig afval
Verrotting - waarheen ik ook ga
Het steile stenen pad naar boven
De dijk massief - water beneden
Het land dat zich laag en ver uitstrekt
En ik - ik ben nu moegestreden
Voorzichtig loop ik door het natte gras
En mijd vergeefs de hondepoep
Het water loodzwaar rollend naar de kust
En uit de mist een meeuwenroep
Ik zie de toppen van de golven
Zich storten op de grijze steen
Terwijl weer nieuwe golven zich te pletter storten
Zie ik berustend om mij heen
Geen schip dat nu dit beeld verbreekt
Want alles is zoals het zijn moet
En zo dit leven is geweest
Zo kort en eenzaam, is het goed
De lichten gloeien in de verte
Het leven dat mij buitensluit
En ik - die vroeger heb gevochten
Loop langzaam terug - mijzelf vooruit
Stuifmeel
Het begon gewoon
als een mooi verhaal.
Insecten gingen met de zoetigheid
van de bloemen aan de haal.
Het gele poeder rook naar leven en honing,
naar belofte en noodzakelijke vruchtbaarheid.
Maar toen werd langdurige droogte koning.
Onderduiken in het gortige zand
was de enige werkelijkheid.
Dit is niet het einde van een droom
want goudgele pollen bewaren
hun levenskracht met schroom.
Eens brengen wind en wolken de zegen:
een bloementapijt is de penseeltrek van de regen.
STROOM, (7)
ONEINDIGE STROOM,
STROOM VAN LEVEN,
LEVENDE STROOM,
FLITSENDE STROOM,
DODELIJKE STROOM,
ONMISBARE STROOM,
GEEN LEVEN ZONDER STROOM.
STROOM…………..
“Stroom” (6)
Turend over ’t vlakke water
Dwalen mijn gedachten af
Over vroeger, over later
Van de wieg tot aan het graf.
Turend over ’t golvend water
Ga ik in gedachten mee
En al komen tranen later
Geld verdienen, ook op zee
Turend over ’t stromend water
Komt een wrakstuk naar me toe
Denken krijgt dan een optater
Is een schip vergaan? En hoe?
Turend over ’t woeste water
Door de wind hoog opgezweept
Word ik plots een water hater
Aan dat leed, ons opgescheept.
Turend naar onstuimig water
Vallend uit de waterval
En dan denk ik slechts aan later
Dat het eeuwig duren zal.
Wat te denken van dat vele water!
Is zijn “Stroom” wel recht, of dan wel krom
Je gedachten slaan geen flater
Als je terug denkt aan de bron.
Liefdesstroom,
De liefdesstroom,
Dat niet alleen leeft in mijn droom,
Maar mijn leven binnen stroomt,
Door de zon dat doet groeien,
En met liefde alles bloeien,
Om ons te voeden,
En voor honger te behoeden,
De liefdesstroom,
Dat blijft komen met de windt,
En mijn hart steeds bemint,
Waar liefde haar weg vindt,
Soms overspoeld door de regen,
Ons brengen een zegen,
Waar goede daden stromen,
En vreugde blijft komen,
De liefdesstroom,
Dat is geworteld als een boom,
In mijn ziel waar liefde woont,
En mij steeds beloond,
Met gedachten die komen,
Om niet van te schromen,
De liefdesstroom,
Is als een regenstroom,
Dat verbindt hemel met aarde,
Waar de liefde zich openbaarde,
En de mens het evenaarde,
Om te leven op aarde,
Stroom kracht macht macht kracht
Zilveren band doorkruist het land tussen berghellingen en vlaktes
Vibrerend lint stromende rivier je maakt grote sier
Ruisend vibrerend jouw kracht en macht
Gelijk een reptiel spring je op in de hoogte jouw kop
Sissend verslindend al wat komt op jouw pad
Verwoestend de toon
Doch de mens denkt en jij schenkt
Jouw stroom bundelende macht kracht
Geleidt naar raderen schoepvormige waaiers
Opwekkende zilveren band jouw stroom uitwaaierend in het land
STROOM KRACHTMACHT
Stroom (5)
Schuim, ruis, donder, kletter
Stroom, zeg ik je, verdomme, stroom!
Neerwaarts, diepte, maar van hoogte
Zwel aan, vloei, kabbel kwaadaardig
Nietsontziend, rusteloos schurend over
De bodem sleurend en slurpend aan puin
Dat de tijd vergaarde
Stilstaan
Ga je stinken
Verteren, wegteren, vegeteren, onteren
Stroom, zeg ik je verdomme, stroom!
Lik je oevers
Schurk je dalen
Stijg, dij uit
Eb je niet?
Eb je niet?
Heb je me niet gehoord?
Stroom, verdomme, stroom!
DIE STROOM VAN DIE GETYE.
1] Mooi is die herfs, met sy kleuryke blare wat val, onder my voete dit is die mooiste en meest ingewikkelde tapyt. Groen, geel. Bruin, rooi en oranje. Door geen mense hande gemaak , so mooi, !so mooi!.
2] Ook die winter, die heldere suiwer wit sneeu , wat kraak onder my voete. Die heilige stilte vroeg in die oggend. Die lug silver, grys en rustig, die bome nakend, beeld skoon en swygend in al hun glorie. En dan kom daar....’n sagte stroom van die mooiste symphonie, die bome en die takke begin hun dans van aanbidding vir die skoonheid en hulle liefde vir die heel al. En ons as mens voel so klein en so nietig soos spoke in die wind.
3] Nou is dit lente, vars skoon , vol hoop, vir die praftige aarde, en vir die mens ‘n belofte geniet!! Word nog eens jonk en kyk met nuwe oe, hoe volmaak, die nuwe blaartjies en groen. Vars is die lug, Ons loop met ‘n ligter tred, daar is weer eens hoop.
4] Die heerlike somer volg, pragtige geure van blomme en bome, die voeltjies fluit en sing.die bye werk, en ook so die mens in die somer van ons lewe. Ons geniet van die geneesende son. Daar is weer nuwe hoop vir oud en jonk. Dankbaar mag ons dit aan skou en nog meemaak.
Alles stroomt (1)
Alles stroomt.
Water stroomt.
Over bergen, valleien, door dalen en bossen.
Het geeft leven aan velen, doch neemt het soms weg.Alles stroomt.
Mensen stromen.
Over rivieren van asfalt door een woud van steen.
Altijd op weg naar een onbekend doel.Alles stroomt.
Energie stroomt.
Sinds haar geboorte is zij in beweging.
En brengt het verandering aan wat was, is en komen zal.We zijn als vissen die zwemmen in de oceaan.
Door water omgeven, door water gedreven.
Statisch bestaat niet, want alles verandert.
Alles vernieuwt en alles sterft af.
Wie ik nu ben bestaat alleen nu.
Anders dan gister, anders dan morgen.Alles stroomt
Alles… leeft.
Stroom (4)
Gevangen in de stroom, waar gaan we toch naar toe.
Omringd door al die golven we worden dat zo moe.
We leveren een strijd maar weten niet meer waar we zijn,
de stroom die ons leven vorm geeft als een misleidend refrein.
Gevangen in de stroom, haastig en gestuurd.
Maar niemand die echt weet hoelang de treinrit duurt.
Te haastig om naar buiten te kijken, om stil te staan bij de schoonheid om ons heen.
Toch stappen we elke dag terug op, toch zijn we steeds terug op de been.
Steeds weer die prestaties, steeds weer dat bewijzen.
Maar wat we ook doen, we vallen naast de prijzen.
Gevangen in de stroom, we zijn dat zo gewoon.
Het vechten voor waardering het werken voor ons loon.
Wanneer is het genoeg, wanneer zijn we voldaan?
Wanneer leren we zwemmen, en gaan we ‘echt’ bestaan.
Kerend getij:
Stroom van hectisch bestaan
uniek, onomkeerbaar, woelig kolkend
ontsluierde passie, waterval van kleur
klankrijke schoonheid harmonie tussen eb en vloed
instinctief, eigenzinnig tomeloos machtig
als woeste golven, brekend krachtig
mysterisch wonder betoverend vreemd
schuimend zilte zee die geeft en ontneemt
als leven en dood een dynamisch getij
voor eeuwig gevangen, grenzeloos vrij
S T R O O M (3)
Donkere dalen -- duistere diepte
woeste wolken ontwaken
Bonkige bomen -- spichtige spinnen
takken , die continu kraken
Krioelende kruipers -- het woelige water
probeert een uitweg te vinden
Stralende sterren -- striemende stromen
de moed om de strijd aan te binden
`t Zilte zand -- de breekbare bossen
de zon komt op en gaat onder
Omarm de natuur -- geniet van elkaar
en nog meer van dit tijdloze wonder
Stroom (2)
in mijn droom
is er een stroom
waarin ik
word meegevoerd
naar koel en helder water
in een droom is dat gewoon
er kan je van alles overkomen
ik zie vlakten dor en droog
bergen rotsen hemelhoog
en kinderen die spelen
ik zie ook oorlog en geweld
en uitgerekend op dat moment
verdwijn in een mangrove
daar ligt een grote krokodil
die bijt feneinig in mijn bil
ik word wakker met een gil
dan hoor ik water stromen
van de kraan
die ik open heb laten staan
opgelucht het is maar een droom
onderbreek ik deze stroom
van koel en helder water
met elke golf
spoelt ze aan
beetje bij beetje
schipbreuk geleden
op een te ver verleden
weggegleden
naar oppervlakkige
dieptes
oneindige chaos
weggeslingerd
en uiteen gereten
uit wrakhout
opgebouwd
door de kinderhand
een zandkasteel
rijk en groots
tot ze wegspoelt
Arabische lente
Collectieve gedachten
ontketenen krachten
twitterend de wereld rond
Arabische lente
ontluikend bewustzijn
ontsteekt de lont
Gedachtenstromen
eerst revolutie
dán evolutie
Dictatuur verdwijnt
geraakt uitgedeind
en alles wordt democratie
't IJ
Het Ruime Sop wil ik zijn
de Wind over mijn wateren Scherend
als Bliksemschichten mij aanraken
vloei ik de stroom
in alle Ionen en smelt
de lichamen die in me hullen
tot nieuwe zijnsvorm
en dat steeds weer
iedere tel
elke fractie van een seconde
ben ik Nieuw
ik 't IJ
de Stroom van Amsterdam
Stroom (1)
Buiten het dorp
staan ze in
formatie
En hij die er al eeuwen
woont
En van wie in Hoofdplaat wordt
verteld dat hij ze ziet vliegen
gaat er steeds heen
Ze staan in het gareel
op hem te wachten
En onder het geluid van het klappen in de wind
is wat hij vindt
aan hun voeten
de dode vogels
Achter zijn huis legt hij ze in een rij
voor de eeuwigheid
tot in Hoofdplaat wordt verteld
dat de vogel is gevlogen
Vloeibare aarde
Wijzer door de tocht
langs het strijklicht in de struiken
geeft de jonge stroom zich over
aan de luwte van het vlakke kleiland.
Omzichtig glijdend ritst hij
zijn golven vast aan
de kaalgevreten oever
en vlijt zich neer onder
een verdronken nevelbank.
Het land bevat hem anders.
Schichtige ribbels mosterdgele aarde
schoffelen ongrijpbaar
vloeiend tussen ruigten
fluitenkruid en wilgenpluis.
Terwijl de schaduw de bomen draagt
staat het water stil
als een foto van zichzelf.
Dan likt zijn gezwollen tong
richting stadse naarstigheid,
waar geen stroom de tijd heeft
om tijd te verdoen.
--------------------------------------------------------
Inzenders (in alfabetische volgorde):
L.A. Baart-Colpaart
E. Baeten
M. Bakeberg
C. Beijst
A. Biesbroeck - van Denderen
L. Bina de Blaeij
S. Blonk
M. Bouchier
A. Bruinooge
H. van den Bosch
M. Costers- de Jong
T. Damen
M.J. Dankaart
B. Deben
E. Deij
H. Deleu
K. Delodder
S. De Meulenaere
V. Dessein
P. De Vos
N. Dieleman
L. Egberts
D. S. Fintelman
A. van der Geld-Visker
F. Gevaert
J. Gevaert
M. Goossens
B. Groosman
C. Guirlande
I. Haalboom
A. Hermano
K. Heylen
F. Jenner
S. Jethoe
P. van de Kerk
S. van Maaren
F. Maesen
V. Mertens
H. Middelburg
I. Migom
C. Mille
M. Murre
G. Nijs
S. Oppeneer
E. Pladdet
G. Pluijm
Randell
R. Schelfhout
A. Schipper
C. de Smet
L. Tavernier
J. Tuerlinckx
W. Vandeleene
W. Vandendriessche
P. Van der Linden
C. Van der Sypt
M.-V. Van Hulle
W. Vanneste
G. Viaene
H. Verbeke
J. Verslyppe
A. Wesselius
Zeekspier
